‘Niet te geloven, het is bijna een verdubbeling.’ Woordvoerster Jytte Reichert van Slachtofferhulp kijkt verbaasd naar de cijfers die ze zelf overhandigt. In 2014, ziet ze, klopten 804 verkrachtingsslachtoffers bij haar aan, vorig jaar waren dat er 1447.1 Een andere hulpverlener, van het Centrum Seksueel Geweld, ziet de toename ook. Vorig jaar zochten 4148 slachtoffers hulp bij één van hun centra, een stijging van 28 procent ten opzichte van het jaar ervoor.2

Worden er dan meer mensen verkracht? Nee, zeggen hulpverleners en experts. ‘Er is geen enkele reden om aan te nemen dat verkrachting nu meer voorkomt dan een paar jaar geleden. Ik heb daar geen verklaring voor en we zien dat ook niet in andere landen’, zegt Iva Bicanic, psycholoog en coördinator van Centrum Seksueel Geweld.3 

Waar komt de stijging dan vandaan? Succesvolle campagnes die slachtoffers van seksueel geweld aanmoedigen hulp te zoeken, zegt Reichert. Hulpverleners die beter samenwerken dan voorheen, zegt Bicanic. In die zin is de stijging eigenlijk ‘goed nieuws’. Want, zeggen beiden, de seksuele moraal verandert. De #MeToo-beweging heeft een taboe doorbroken: laat je horen als slachtoffer van een ongewenste seksuele ervaring, schaam je niet, wees zichtbaar, praat erover.4

Bij de politie nam het aantal geregistreerde verkrachtingen de afgelopen zeven jaar dan ook toe, met maar liefst 60 procent.5 Sinds de vorming van de Nationale Politie in 2013 worden cijfers landelijk bijgehouden, in dat jaar meldden 1.245 verkrachtingsslachtoffers zich bij de politie. Zeven jaar later, in 2019, waren dat er 2.000.6 Ook de politie is opgetogen. Yet van Mastrigt, die bij de politie als landelijk zedenexpert de teams  overziet, zegt: ‘Als ons inbraakcijfer of overvalcijfer groeit, dan moet de korpsleiding zich zorgen maken. Maar als de korpschef vraagt waarom de verkrachtingen zo toenemen, dan zeg ik: daar ben ik trots op, omdat het goed is dat slachtoffers naar de politie stappen.’

Meldingsbereidheid groeit maar levert niets op

Dat optimisme lijkt echter misplaatst. Onderzoek van Investico voor De Groene Amsterdammer en Trouw laat zien dat die bejubelde toegenomen meldingsbereidheid slachtoffers strafrechtelijk gezien niets oplevert. Een steeds groter deel van de slachtoffers ziet er na de eerste melding van verkrachting bij de politie vanaf om aangifte te doen, blijkt uit cijfers.7 Volgens zedenrechercheurs vergen de zaken meer tijd dan vroeger, bijvoorbeeld omdat WhatsApp-gesprekken, foto’s en locatiegegevens uit Google Maps het verzamelen van bewijs complexer en tijdsintensiever maakt.8 Bovendien is er, net als bij alle onderdelen van de politie, ook bij ‘zeden’ een gebrek aan rechercheurs. Het ministerie heeft weliswaar 90 extra zedenrechercheurs toegezegd,9 maar die kunnen nog niet volledig aan de slag door gebrek aan opleidingscapaciteit.10

Zo stapelt het aantal zedenzaken zich op. Politie en OM hebben zichzelf opgelegd om de eerste rechtszitting in verkrachtingszaken binnen dertien maanden na de aangifte te laten plaatsvinden, maar in slechts de helft van de gevallen lukt dat.11 En hoewel zich meer slachtoffers aandienen, vindt de politie nu minder verdachten dan voorheen. Het aantal strafdossiers dat de politie aanlevert bij het OM schommelt al jaren rond hetzelfde aantal. Per saldo, na opsporing en vervolging, belanden niet méér daders achter de tralies dan zeven jaar geleden, blijkt uit cijfers die Investico opvroeg. 

Méér daders achter de tralies, dat is precies wat minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid wil. Sinds mei 2019 werkt hij aan een herziening van de zedenwet. Om verkrachting te bewijzen moet het slachtoffer aantonen dat de dader dwang uitoefende. Maar de wet moet ook slachtoffers beschermen die zich niet verzetten, doordat zij bevriezen of verstijven. Een nieuw artikel moet daarom ook ‘seks tegen de wil’ strafbaar maken, in gevallen waar dwang niet te bewijzen12 is. Zo moet het voor slachtoffers makkelijker worden om aangifte te doen. Maar kan de politie dat wel aan? Nee, zegt iedereen die wij spreken. Zonder extra zedenrechercheurs heeft de nieuwe zedenwet, de kroon op de slachtofferemancipatie van de afgelopen jaren, maar weinig effect.

Ontmoediging van aangifte

‘Rug recht, tanden op elkaar.’ In hun kantoor aan het eind van een winkelstraat in IJmuiden vertellen zedenadvocaten Kate Lans en Louke Korfker hoe ze hun cliënten voorbereiden op hun eerste gesprek met de politie. ‘Het wordt heel heftig, vervelend en persoonlijk. Ze doen het bij iedereen, het heeft niks met jou te maken. Als je echt aangifte wilt doen, moet je je niet laten ontmoedigen.’ Natuurlijk is het goed dat de politie erop wijst dat de aangifte van een zedenmisdrijf loodzwaar zal zijn, maar slachtoffers ervaren die waarschuwing meer als een afrader, vertellen ze. ‘Allemaal’, zegt Korfker, ‘zonder uitzondering’.

‘Ik word weer boos als ik eraan denk’, vertelt Lans. ‘Een meid was door twee jongens verkracht. Heel extreem, heel naar. Echt een horrorfilm.’ De vrouw gaat naar de politie en er volgt een ‘informatief gesprek’, de standaard procedure bij zedenzaken. In zo’n gesprek vertelt een slachtoffer het verhaal; achterhalen zedenrechercheurs of er sprake is van een strafbaar feit, en leggen zij uit welke rechten een slachtoffer heeft. Als die besluit om aangifte te doen, begint het strafrechtelijk proces. 

Maar zo ging het met dit slachtoffer niet, zegt de advocate. Die kreeg in het informatief gesprek te horen dat het weinig zin heeft om aangifte te doen omdat vervolging volgens de agenten ‘onwaarschijnlijk’ zou zijn. Daarom besluit de vrouw ervan af te zien. Pas na jaren van therapie en traumabehandeling klopte ze aan bij Lans en besloot ze alsnog aangifte te doen. Opnieuw volgt een informatief gesprek. ‘Ik heb doorgedrukt dat ik daarbij aanwezig mocht zijn’, zegt de advocate. ‘Als ik er niet bij geweest was, had ze binnen vijf minuten weer buiten gestaan. “Wat voor zin heeft het? Hoe kunnen wij die dwang vaststellen? Hoe weten wij nou dat jij het niet wilde?”, vroeg de verbalisant. Het slachtoffer klapte helemaal dicht. Ze was af.’ Opnieuw besluit de vrouw geen aangifte13 te doen. ‘Terwijl het geen kansloze zaak was – er waren berichtjes, er was indirect bewijs. Maar ze kon het niet meer aan.’

Bewijs moet naast wettig ook overtuigend zijn

Aan de andere kant staat Christa Kistemaker, zedenrechercheur in Nijverdal bij de eenheid Oost-Nederland. ‘Elk slachtoffer dat hier komt, wil horen: “We gaan nu direct de aangifte opnemen, we gaan de verdachte daarna aanhouden, over drie weken verschijnt ‘ie voor de rechter en gaat ‘ie voor vijf jaar de gevangenis in”. Maar zo gaat het gewoon niet’, zegt ze. We treffen haar en collega Silvia Berendsen in een geavanceerde verhoorstudio die met kleurige muurschilderingen speciaal ingericht is op het horen van kinderen en mensen met een beperking. Naast het verhoren van kwetsbare slachtoffers en verdachten doen beiden ook al meer dan tien jaar ‘gewone’ zedenzaken. 

‘Ik denk dat slachtoffers een informatief gesprek niet altijd als een fijn gesprek ervaren’, zegt Berendsen. ‘Onze taak is waarheidsvinding, dus we moeten feitelijk zijn en neutraal blijven’. Bovendien is een vervelende seksuele ervaring heel naar maar niet altijd strafbaar. ‘We proberen altijd zo goed mogelijk uit te leggen wat wel en niet vervolgd kan worden en waarom we gedetailleerd naar bepaalde dingen zullen vragen.’ En ja, die gedetailleerde vragen zijn volgens haar nodig, want bewijs moet voor de rechter niet alleen ‘wettig’ zijn, maar ook ‘overtuigend’. Veruit de meeste verkrachtingen vinden plaats in een-op-een-situaties en dat maakt het één van de lastigste wetsartikelen omdat de bewijslast moeilijk is. Onduidelijkheden zijn koren op de molen van de advocaat van de verdachte. Berendsen legt uit14 dat het voor hen de kunst is om de zaak ‘aan de voorkant’ zo helder mogelijk op papier te krijgen, zodat een slachtoffer niet tijdens zitting opnieuw vragen krijgt. ‘We horen vaak: je gelooft me toch wel? Ja, wij geloven wel wat je is overkomen, maar we weten niet of we het kunnen bewijzen. Dat is iets anders.’

Zedenspecialist Van Mastrigt van de politie moet toegeven dat het informatieve gesprek soms inderdaad ontmoedigend werkt voor slachtoffers. ‘Toch gaan mijn nekharen overeind staan bij het woord “ontmoediging”. Zedenrechercheurs willen boeven15 vangen!’ Ze zucht. ‘Weet je, ik steek mijn hand er ook niet voor in het vuur.16 Onze mensen doen soms uitspraken omdat ze het slachtoffer willen beschermen’, zegt ze op het hoofdkantoor van de politie in Den Haag. ‘“Het is misschien wel strafbaar, maar het wordt zo lastig”, zeggen ze dan.17 Maar dat soort uitspraken moeten ze overlaten aan slachtofferadvocaten.’

Niet voor niets is er vanuit de leiding steeds meer aandacht voor de informatieve gesprekken, zegt ze. Zo wordt nu begonnen met ‘intervisie’. Daarbij luisteren zedenrechercheurs zelf hun informatieve gesprekken terug om zich bewust te worden van wat ze zeggen. Waar gaat het mis en wat moet dus beter?18 Soms schiet de kwaliteit van opsporingscollega’s ook tekort, suggereert de zedenexpert diplomatiek: ‘Er zitten een aantal rechercheurs19 tussen van wie we zeggen ‘”hou op tijd functioneringsgesprekken”.’

De klachten over ontmoediging duiken echter zo vaak op dat de Inspectie Justitie en Veiligheid in 2019 onderzoek deed naar de bejegening van zedenslachtoffers door de politie. Het resultaat liegt er niet om: de intenties van zedenrechercheurs mogen dan goed zijn, ze bespreken tijdens het informatieve gesprek ‘impliciet en expliciet de slagingskans van een zaak door de kenmerken van de zaak en het slachtoffer in de voorlichting te betrekken. Wanneer de onmogelijkheden van de zaak en de negatieve consequenties van het doen van aangifte de boventoon voeren, voelen slachtoffers zich gestuurd20 om geen aangifte te doen.’

Aantal meldingen stijgt harder dan aangiftes

Ook cijfers onderschrijven het beeld van ontmoediging en laten zien dat verkrachtingsslachtoffers na het informatieve gesprek vaker afzien van aangifte. Het gat tussen het aantal meldingen en het aantal aangiften groeit, blijkt uit politiecijfers die Investico opvroeg. De meldingen van verkrachting namen in vijf jaar met zo’n 60 procent toe terwijl de aangiften slechts met 23 procent stegen. In 2015 besloot 49 procent van de slachtoffers na het eerste gesprek over te gaan tot aangifte. Vorig jaar was dat nog maar 38 procent.21

De politie houdt zelf niet bij waarom er zoveel meldingen stranden bij de balie.22 De cijfers hoeven niet op ontmoediging te duiden, zegt een woordvoerder23 van de korpsleiding: ‘Het zou kunnen zijn dat wij in heel veel van de zaken die mensen nu melden, constateren dat er geen strafbaar feit is gepleegd. Of misschien gaat het wel om een strafbaar feit, maar is er te weinig bewijs.’  Maar dat is precies waar het wringt: slachtoffers kunnen zich ontmoedigd voelen wanneer rechercheurs al vóór de aangifte wijzen op de beperkte kans van slagen van hun zaak.

Bovendien is het niet zo dat nu vooral de kansrijke zaken doorgang vinden en de weinig kansrijke zaken al eerder in het proces stranden. Uit analyse van onze cijfers blijkt dat bijna 60 procent van de verkrachtingszaken uitmondt in een sepot, vaak vanwege een gebrek aan bewijs. Maar dat was in 2013 zo en in 2019 is dat nog steeds.24

Geen enkel rijtje cijfers laat verder een positief beeld zien. In 2013 registreerde de politie volgens het CBS 705 verdachten van verkrachting. Dat aantal liep terug25 tot 565 in 2019. Het aantal dossiers van verkrachtingszaken dat de politie aflevert bij het OM schommelt al jaren tussen de 500 en 650. In 2013 waren het er 650, in de jaren erna wat minder, en in 2019 weer 634.26 De politie levert dus eerder minder dan meer verdachten en dossiers af dan vóór die enorme toename in meldingen.

Politie en OM overschrijden tijdsnormen

Zo zijn er meer zorgwekkende cijfers. Politie en OM hebben zichzelf in 2016 opgelegd dat ze in 80 procent van alle zedenzaken het onderzoek binnen een half jaar na aangifte moeten afronden, maar uit het Inspectierapport blijkt dat dat afgelopen jaar slechts in 59 procent van de zaken lukte.27 Binnen dertien maanden na aangifte moet de eerste zitting in de rechtszaal zijn. Ook hier overschrijden politie en OM de eigen normen, want dit lukt slechts in de helft van de zedenzaken, zo geeft Van Mastrigt toe.28

De Inspectie vond zelfs zaken uit 201729 die in juni 2020 nog steeds ‘in afwachting zijn van afronding.’ In Nijverdal vertelt zedenrechercheur Christa Kistemaker30 hoe ze zo’n zaak kreeg toegewezen en dan het slachtoffer belt. ‘“Maar het is al drie jaar geleden gebeurd”, is de reactie dan. Op zo’n moment zit ik echt met schaamrood op mijn wangen aan de telefoon.’

‘We zijn een kleine afdeling en het werk neemt alleen maar toe’, gaat Kistemaker verder. Niet alleen door de toename in aangiften; ook doordat het recherchewerk steeds ingewikkelder wordt: ‘Door de digitalisering hebben we veel meer onderzoekswerk: filmpjes, foto’s, locatiegegevens van Google Maps, app-conversaties.’ Al die gegevens kunnen dienen als aanvullend bewijs, wat in zedenzaken vaak doorslaggevend is bij de beslissing van het OM om over te gaan tot vervolging én later bij het oordeel van de rechter. Kistemaker: ‘We hebben voor de bewijsvoering zeker profijt van alle nieuwe mogelijkheden, maar het is enorm tijdrovend.’ Een hele WhatsApp-geschiedenis doornemen op zoek naar dat ene bericht dat kan dienen als bewijs, kost Kistemaker en Berendsen soms zo maar een hele werkdag. Voor de zedenrecherche is de digitalisering, kortom, een zegen én een vloek.

Meer geld voor de zedenpolitie

Extra zedenrechercheurs zijn volgens Kistemaker en Berendsen hard nodig. Maar in hun beleving is Team Zeden een beetje het ondergeschoven kindje van het politiekorps. ‘Zeden wordt weleens de ‘praatpolitie’ genoemd’, zegt Kistemaker. ‘Ik hoorde eens dat iemand verrast was dat het hier zo druk is. Collega’s hebben soms het idee dat we alleen maar een beetje kletsen met mensen’, vult Berendsen aan.31 In september 2019 gaf de minister eindelijk gehoor aan de vraag om meer mensen. Grapperhaus stelt structureel 15 miljoen euro extra beschikbaar voor de zedenpolitie. De capaciteit zal met 60 fte worden verhoogd, wat in de praktijk neerkomt op 90 nieuwe zedenrechercheurs.32

Maar ook aan dit goede nieuws zit een nare bijsmaak. ‘De nacht na de toezegging van de minister heb ik niet heb geslapen’, zegt zedenexpert Yet van Mastrigt. ‘Gaan we straks bij andere afdelingen rechercheurs wegtrekken voor Team Zeden?’ Ze weet dat de werving van zedenrechercheurs vooral intern zal plaatsvinden.33 In dat geval volstaat een eenjarige zedenopleiding aan de Politieacademie. Voor mensen van buiten de politie zou gelden dat ze zelfs eerst nog een driejarige opleiding tot ‘gewone’ politieambtenaar moeten volgen. Het ministerie verlegt het capaciteitsprobleem gewoon naar een andere afdeling binnen de politie.

De Politieacademie, die de interne of externe kandidaten moet opleiden voor Team Zeden kampt ook met een capaciteitstekort. Voor de door de minister beloofde uitbreiding van 2019 lukte het al niet om alle zedenrechercheurs op te leiden, hoe dat voor de 90 nieuwe rechercheurs moet gaan is onduidelijk. De Inspectie constateert dat mensen die bij Zeden willen gaan werken nu al een jaar moeten wachten. Rechercheurs binnen Team Zeden zonder die opleiding mogen niet alle handelingen in een opsporingsonderzoek uitvoeren en kunnen alleen aan de slag onder supervisie van collega’s die wel het certificaat op zak hebben.34

En dat terwijl zedenteams al worstelen met de bezetting: Het ziekteverzuim van 8 procent speelt een rol, maar ook regelingen waardoor collega’s die ouder zijn dan 55 jaar minder uren kunnen werken en geen nachtdiensten meer hoeven te draaien. En wat te denken van ‘uitleen’ van zedenrechercheurs aan andere teams, bijvoorbeeld voor grootschalige onderzoeken. De zedenpolitie, zo berekent de Inspectie, is gemiddeld bijna een derde van de bezetting kwijt.35

Alleen dader spint garen bij vertraagd onderzoek

Slechts één partij heeft wel baat bij vertraging in een zedenonderzoek. ‘Hoe langer een zaak stilligt, hoe beter een verdachte ervan afkomt’, zegt zedenadvocaat Kate Lans op het kantoor in IJmuiden. Lans en Korfker staan naast slachtoffers ook verdachten bij en weten daardoor heel goed hoe het in de praktijk gaat. De kwaliteit van een dossier neemt af als een onderzoek pas laat op gang komt of lang duurt. Getuigenverklaringen zijn met het verstrijken van de tijd bijvoorbeeld minder gedetailleerd en betrouwbaar. Haar collega Louke Korfker vult aan: ‘De kans op een bewezenverklaring, of überhaupt een vervolging, wordt met de dag kleiner.’

Een verdachte krijgt bij vertraging alle kans om het verhaal ‘helemaal te kneden’ of zelfs bewijs te wissen. Verdachten kunnen hun telefoon nog leegmaken bijvoorbeeld, voordat de politie die uitleest. ‘Advocaten adviseren hun cliënt dat ook, als het een verdachte is.’ In de rechtspraak geldt bovendien een ‘redelijke termijn’ van twee jaar. Als die overschreden wordt, kan strafvermindering optreden. Korfker:36 ‘Een advocaat die een verdachte bijstaat gaat er zeker niet achteraan bij het OM. Geen slapende honden wakker maken. Hoe langer het duurt, hoe lager de straf.’

Cijfers van de rechtspraak leggen dit probleem pijnlijk bloot. In 2013 deelde de rechter 134 keer een straf uit voor verkrachting, in 2019 was dat 129 keer.37 Die bejubelde toestroom aan meldingen levert slachtoffers strafrechtelijk dus bar weinig op: bijna achthonderd meldingen meer, maar niet één extra dader achter de tralies.

Nieuwe zedenwet brengt geen verandering

Welk effect de nieuwe zedenwet precies gaat hebben voor de politie is volgens strafrechter Jacco Janssen ‘koffiedik kijken’. Maar met het concept-voorstel dat nu voorligt, kunnen ‘de sluizen opengaan’. Daarin staat dat iets ‘seks tegen de wil’ is als de verdachte ‘weet of redelijkerwijs moet vermoeden’ dat het slachtoffer niet wilde. ‘Als er meer strafbaar is, kan er meer aangifte worden gedaan. De politie kan dan minder vaak zeggen dat ze niets met een zaak kunnen’, zegt Janssen. ‘Het is afhankelijk van waar de minister uiteindelijk de grens wil leggen. Hij wil meer strafbaar stellen, dus ik vermoed dat die grens misschien wel laag komt te liggen. Dat zal bepalen of er al dan niet een hausse komt aan nieuwe zaken bij de politie.’

Daarnaast waarschuwt38 Janssen voor valse hoop: ‘Dit nieuwe wetsartikel wordt nu gepresenteerd als het tovermiddel voor al uw seksuele delicten, maar dat zal het niet blijken te zijn.’ In het advies dat de Raad voor de Rechtspraak half augustus publiceerde staat dan ook dat een “winstwaarschuwing” aan de samenleving op zijn plaats zou zijn. Het beeld dat seksuele misdrijven veel sneller en makkelijker bewezen verklaard zullen worden is waarschijnlijk te optimistisch, vindt de raad.39 De wet verandert niks aan de bewijslast. Met andere woorden: zaken worden niet makkelijker, het worden er alleen meer.

‘Wij horen hetzelfde van zedenrechercheurs’, zegt Jan Struijs,40 voorzitter van politievakbond NPB. ‘Ze kunnen het nu al bij lange na niet aan en het wordt alleen maar erger.’ Verkrachting is één van de ernstigste en meest ingrijpende misdrijven die er zijn. ‘Honderden slachtoffers worden nu onvoldoende geholpen doordat rechercheurs niet genoeg tijd hebben om alles te onderzoeken. Als zaken stranden, blijven daders vrij rondlopen. Zo simpel is het’, zegt Struijs. ‘Slachtoffers raken zo hun vertrouwen in de rechtsstaat kwijt en als politie zet je je legitimiteit ermee op het spel. Seksueel geweld zou topprioriteit moeten zijn. We moeten dit nu eindelijk eens serieus gaan nemen.’

Al het optimisme ten spijt, levert de slachtofferemancipatie van de laatste jaren dus maar weinig concreet resultaat op. De nieuwe zedenwet gaat daar geen verandering in brengen. Zonder extra mensen gaat het niet, zeggen alle zedenrechercheurs die we spreken. Op een politiebureau in Eindhoven vertelt rechercheur Marja de Louw41 hoe ze nog elke verkrachtingszaak met evenveel bevlogenheid oppakt als haar eerste in 1982. En hoe ze na een werkdag altijd naar huis fietst. ‘Dat doe ik graag, zo kan ik alles achter me laten’, zegt ze. ‘Maar als het zo druk is denk ik aan alles wat ik nog had kunnen doen. Je moet met zeventig procent tevreden zijn. Niet omdat ik iets niet weet of niet kan, maar gewoon omdat het te druk is. Dat geeft een heel vervelend gevoel.’

Lees een korte nieuwsversie van dit verhaal hier. Dit onderzoek verscheen ook in De Groene Amsterdammer en in Trouw.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

  1. Uit telefoongesprek met Jytte Reichert in mei 2020. ↩︎
  2. Uit telefoongesprek met Iva Bicanic in mei 2020 en jaarverslag Centrum Seksueel Geweld 2019, pagina 2, via website ↩︎
  3. Uit telefoongesprek met Iva Bicanic in mei 2020. ↩︎
  4. Uit telefoongesprekken met Bicanic en Reichert. ↩︎
  5. Eigen berekening op basis van CBS-cijfers, zie tekst en volgende verwijzing. ↩︎
  6. CBS-cijfers, 3.3.2 Verkrachting in tabel ↩︎
  7. Berekening op basis van CBS-cijfers over registraties (zie voetnoot 6) en bij de politie opgevraagde cijfers over aangiften (zie voetnoot 24). ↩︎
  8. Uit interview met zedenrechercheurs Christa Kistemaker en Silvia Berendsen in juli 2020. ↩︎
  9. Kamerbrief minister Grapperhaus, 12 november 2019. ↩︎
  10. Uit onderzoek naar bejegening zedenslachtoffers door Inspectie Justitie en Veiligheid, pagina 25. ↩︎
  11. Uit interview met Yet van Mastrigt in juni 2020. ↩︎
  12. Zie bericht Rijksoverheid ↩︎
  13. Bovenstaande drie alineas afkomstig uit interview met Louke Korfker en Kate Lans in juni 2020. ↩︎
  14. Bovenstaande twee alineas afkomstig uit interview Christa Kistemaker en Silvia Berendsen in juli 2020. ↩︎
  15. Uit interview met Yet van Mastrigt in juni 2020. Gehele quote: De burger mag van ons verwachten dat we hen een goede behandeling geven en goed onderzoek doen. Daar worden ze voor opgeleid. En dat we aan de gang gaan met de mensen die dat niet zo goed doen. Zijn we met chefs over in gesprek. Al met al ben ik super trots op de gemotiveerdheid. Iedere zedenrechercheur wil boeven vangen. En het woord ontmoediging.. ja, mijn nekharen gaan er altijd van overeind staan als dat weer gezegd wordt. ↩︎
  16. Uit interview met Yet van Mastrigt in juni 2020. Gehele quote: En onze mensen... ja, ik steek mijn hand er ook niet voor in het vuur. ↩︎
  17. Uit interview met Yet van Mastrigt in juni 2020. Gehele quote: Natuurlijk doen onze mensen soms ook uitspraken omdat ze het slachtoffer willen beschermen, dat geven ze ook aan. Het is misschien wel strafbaar, maar het wordt zo lastig. We leiden ze daar ook op: laat dat over aan de slachtofferadvocaten. ↩︎
  18. Uit interview met Yet van Mastrigt in juni 2020. Gehele quote: Ik heb een rondgang langs alle teams gemaakt ook en weer, we gaan nu ook beginnen met intervisie, wederom op het informatieve gesprek: naluisteren, intervisiegesprek aangaan met zedenrechercheur. Ben je altijd bewust van wat je zegt? Daar zit die ontmoediging in, de bedenktijd. Gewoon puur weer, even lekker het vak scholen. Luister eerst zelf terug, daarna met intervisie-begeleider, samen terugluisteren en kijken waar gaat het mis? ↩︎
  19. Uit interview met Yet van Mastrigt in juni 2020. Gehele quote: Er zitten er een aantal tussen, waarvan we zeggen <hou op tijd je functioneringsgesprek>. En neem afscheid van iemand als je het heilige vuur niet meer ziet. ↩︎
  20. Uit onderzoek naar bejegening zedenslachtoffers door Inspectie Justitie en Veiligheid, pagina 5. ↩︎
  21. Berekening op basis van opgevraagde cijfers bij politie: 2015: 559 aangiften, 2016: 597 aangiften, 2017: 649 aangiften, 2018: 694 aangiften, 2019: 687 aangiften. ↩︎
  22. Uit onderzoek naar bejegening zedenslachtoffers door Inspectie Justitie en Veiligheid, pagina 16. ↩︎
  23. Uit gesprek met Yet van Mastrigt in juni 2020. Gehele quote van woordvoerder Robbert Salome: Je zou dus kunnen zeggen, maar er is geen wetenschappelijk onderzoek gedaan, het aantal aangiften neemt toe, mensen zijn mondiger en melden zich eerder bij de politie om aangifte te doen. Maar onderaan de streep zou het kunnen zijn dat wij in heel veel van die zaken die mensen nu wel melden, zeggen <er is geen strafbaar feit gepleegd>. Of misschien wel strafbaar feit, maar te weinig bewijs. ↩︎
  24. Uit cijfers opgevraagd bij het OM en percentage dagvaardingen ten opzichte van het totaal aantal zaken waarin het OM een beslissing nam berekend: 2013: 270 dagvaardingen per 630 beslissingen, 2014: 245 dagvaardingen/580 beslissingen, 2015: 235 dagvaardingen per 560 beslissingen, 2016: 215 dagvaardingen/530 beslissingen, 2017: 261 dagvaardingen per 595 beslissingen, 2018: 239 dagvaardingen per 550 beslissingen, 2019: 262 dagvaardingen per 637 beslissingen. Bij geen dagvaarding wordt er geseponeerd. Het aandeel dagvaardingen (berekend: 40 procent) en dus ook het aandeel sepots (berekend: 60 procent) blijft in deze periode min of meer gelijk. ↩︎
  25. CBS-cijfers, filter <Registraties van verdachten>, 3.3.2 Verkrachting in tabel. De politie levert zelf een iets andere cijferreeks aan (naar OM ingestuurd proces-verbaal waarin een verdachte staat): 2015: 588, 2016: 597, 2017: 597, 2018: 597, 2019: 619 verdachten. We hebben de politie herhaaldelijk gevraagd of ze de discrepantie tussen deze interne cijfers en de CBS-cijfers kunnen verklaren, maar bij uitblijven van een reactie hebben we besloten uit te gaan van de openbare en officiële CBS-cijfers. ↩︎
  26. Uit cijfers opgevraagd bij het OM: 2013: 650 dossiers, 2014: 550 dossiers, 2015: 500 dossiers, 2016: 560 dossiers, 2017: 565 dossiers, 2018: 547 dossiers, 2019: 634 dossiers. ↩︎
  27. Uit onderzoek naar bejegening zedenslachtoffers door Inspectie Justitie en Veiligheid, pagina 26. ↩︎
  28. Uit gesprek met Yet van Mastrigt in juni 2020. Gehele quote: En we willen die doorlooptijd, we hebben met OM ook afgesproken: in principe binnen dertien maanden vanaf aangifte moet de zaak op zitting zijn. Dat is het maximaal haalbare in tijd, om zo snel te doen. Dertien maanden. Daar halen we nu de helft ongeveer van, binnen die dertien maanden. ↩︎
  29. Uit onderzoek naar bejegening zedenslachtoffers door Inspectie Justitie en Veiligheid, pagina 26. ↩︎
  30. Uit interview met Christa Kistemaker en Silvia Berendsen in juli 2020. ↩︎
  31. Bovenstaande twee alinea’s afkomstig uit interview met Christa Kistemaker en Silvia Berendsen in juli 2020. ↩︎
  32. Kamerbrief minister Grapperhaus, 12 november 2019. ↩︎
  33. Uit gesprek met Yet van Mastrigt in juni 2020. ↩︎
  34. Uit onderzoek naar bejegening zedenslachtoffers door Inspectie Justitie en Veiligheid, pagina 25/26. ↩︎
  35. Uit onderzoek naar bejegening zedenslachtoffers door Inspectie Justitie en Veiligheid, pagina 25. ↩︎
  36. Bovenstaande twee alinea’s uit interview met Louke Korfker en Kate Lans in juni 2020. ↩︎
  37. Uit cijfers opgevraagd bij de Raad voor de Rechtspraak van Aantal zaken waarin in elk geval verkrachting bewezen is verklaard met strafoplegging: 2013: 134, 2014: 128, 2015: 115, 2016: 123, 2017: 109, 2018: 150, 2019: 129. ↩︎
  38. Deze en bovenstaande alinea uit telefoongesprek met Jacco Janssen in augustus 2020. ↩︎
  39. Zie Advies voorontwerp wet seksuele misdrijven via rechtspraak.nl ↩︎
  40. Uit telefoongesprek met Jan Struijs in augustus 2020. ↩︎
  41. Uit interview met Lidewijde van Lier en Marja de Louw in augustus 2020. ↩︎

Auteurs

Jolanda van de Beld

Jolanda van de Beld studeerde Nederlands, politicologie en journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt ook als freelance …
Profiel-pagina

Anouk Kootstra

Anouk is gepromoveerd in de politicologie aan de Universiteit van Manchester. Ze werkt ook als docent aan de Universiteit van Amsterdam. …
Profiel-pagina