Sinds kort is het basiskennis voor bijna iedereen: veel epidemieën beginnen als ‘zoönose’, een ziekte die begint in een dier en overspringt op de mens. Het was dan ook weinig verbazend dat zowel het recente coronavirus als het verwante SARS-virus in 2002 allebei uitbraken op Chinese ‘wet markets’: grote hallen waar levende dieren dicht op elkaar gepakt verkocht worden en waar ze verser dan vers voor je neus geslacht worden.

Europa kent maar twee grote uitbraken van ziektes die vanuit de moderne, intensieve veehouderij oversprongen op mensen.1 Wat niet behoort tot de basiskennis, is dat beide uitbraken zich voordeden in de afgelopen twintig jaar, en dat beide plaatsvonden in Nederland. In 2003 raakten duizend mensen besmet met vogelgriep en kwam een dierenarts te overlijden.2 En tussen 2007 en 2010 waaide Q-koorts uit geitenhouderijen de longen van omstanders binnen. Het gevolg: honderdduizend besmettingen;3 duizenden chronisch zieken4 en bijna honderd doden.5 In Nederland kun je geen vee op de markt laten slachten en ons land kent ook geen fokkerijen voor exotische schubdieren of civetkatten. Maar met zowel de hoogste bevolkings- als veedichtheid van Europa zijn we kwetsbaarder dan onze eigen overheid wil toegeven.

Telkens wanneer een nieuwe zoönose heeft huisgehouden volgen er onderzoeken, aanbevelingen en maatregelen. En telkens slaan bestuurders en onderzoekers zich op de borst dat Nederland ‘uniek’ goed is voorbereid op de volgende uitbraak. Maar niet iedereen gelooft dat. Want telkens als een nieuwe zoönose uitbreekt, zo zeggen betrokkenen en experts tegen platform voor onderzoeksjournalistiek Investico, wegen de landbouwbelangen zwaarder dan de volksgezondheid. En die vanzelfsprekende dominante positie van de landbouw bestaat nog steeds.

Q-koorts

‘Nederland is het China van Europa’, zei Roel Coutinho, toenmalig directeur van het Centrum voor Bestrijding van Infectieziekten (CIb) van het RIVM in 2009 tegen NRC.6 Die uitspraak heeft sindsdien een andere lading gekregen en Coutinho zegt hem zich ook niet te kunnen herinneren.7 ‘Maar ik bedoelde waarschijnlijk dat wij in een dichtbevolkt land met veel landbouwdieren leven, en ook nog heel dicht op de boerderijen.’

De ernstigste zoönose tijdens Coutinho’s tijd als CIb-directeur waaide letterlijk over uit geitenstallen. ‘Q-koorts. Voor ons was het volledig onbekend.’ De Q-koortsbacterie zorgt bij geiten voor een spontane abortus. De geïnfecteerde placenta en vruchtwater mengen zich vervolgens met de mest, en als die verwaait kunnen omstanders besmet raken. Eén bacterie kan al genoeg zijn voor een besmetting.8 ‘Er kwamen in 2007 allemaal meldingen uit één dorp in Oost-Brabant’, zegt Coutinho, ‘het zal daar wel blijven, dachten we toen.’

Huisarts Alfons Olde Loohuis kan zich het eerste Q-koortsgeval moeiteloos herinneren.9 Hij had een praktijk in het Brabantse Herpen, het dorp tussen Oss en Nijmegen dat het epicentrum van de Q-koortsuitbraak zou worden. Steeds meer patiënten op zijn spreekuur hadden longontstekingen en hoge koorts, vertelt hij: ‘Mensen zakten in elkaar.’ Toen het uiteindelijk Q-koorts bleek te zijn, zorgde dat voor ‘een storm’ in het dorp: ‘De geitenhouder hier in de omgeving kon zijn kinderen niet eens meer naar school brengen.’

Tussen 2007 en 2010 werd Nederland getroffen door een Q-koorts epidemie die qua omvang ongeëvenaard is in de wereld. Omdat de ziekte alleen van geit op mens kan worden overgedragen, en dus niet van mens op mens, is het risico op een uitbraak over het algemeen klein. Maar begin deze eeuw werden steeds meer intensieve geitenhouderijen geopend. Opmerkelijk vaak door ex-varkensboeren die vanwege ervaringen met varkenspest voor een ander soort vee kozen.10 Zo kon de ziekte honderdduizend mensen besmetten.11 Ongeveer honderd van hen zijn aan de gevolgen overleden. Huisarts Olde Loohuis werkt sinds zijn pensionering voor de stichting Q-support, die de belangen van Q-koortspatiënten behartigt. ‘De ziekte is nog steeds een trauma in de regio.’

Ministerie werkte onderzoek tegen

Na de eerste Q-koortsdiagnose duurde het lang voordat Olde Loohuis zijn collega-artsen van de ernst van de ziekte had overtuigd. ‘We hebben Q-koorts aanvankelijk volledig onderschat’, zegt ook oud-CIb-directeur Coutinho. ‘We konden ook niet aantonen dat het precies dezelfde bacterie was bij de geit en bij de mens. In het begin wisten we slechts dat mensen het vrijwel alleen rondom geitenbedrijven kregen. Daardoor kon het ministerie van Landbouw blijven zeggen dat het niet zeker was dat het van de geiten kwam.’

Zowel Coutinho als Olde Loohuis stellen: het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft vergaande maatregelen lang actief tegengewerkt. Al in 2006 wilde het RIVM Q-koorts onderzoeken nadat op grote geitenhouderijen besmettingen waren vastgesteld. Het ministerie reageerde niet.12 ‘Het heeft ook meer dan een half jaar geduurd voordat er een meldplicht kwam voor geitenboeren met een besmetting in hun stal’, zegt Coutinho. Tot op het hoogtepunt van de epidemie wist niemand welke bedrijven in Nederland besmet waren. De Gezondheidsdienst voor Dieren, wiens verantwoordelijkheid het is om dierziekten te monitoren, wist dat wel maar was in 2000 geprivatiseerd en wilde de gegevens van hun ‘klanten’ niet delen.13

‘Volgens Landbouw kon het bovendien niet aan de geitenmest liggen’, zegt Olde Loohuis, ‘want die werd ook over akkers in Zeeland uitgereden en daar was geen Q-koorts. Later bleek dat ze die mest alleen in de winter naar Zeeland reden, dan zijn er natuurlijk geen geboortes en komt Q-koorts sowieso niet voor. Ik ben toen gestopt met alles te geloven wat de landbouw zegt.’

Pas in het derde jaar van de Q-koorts epidemie gaf Gerda Verburg, toenmalig minister van Landbouw, de opdracht om geiten te ruimen. Een van de moeilijkste beslissingen uit haar leven, zou ze later zeggen.14 Volgens Olde Loohuis speelde de herinnering aan varkenspest en mond- en klauwzeer daarbij een rol. ‘Zij wilde gewoon voorkomen dat er nog eens massaal geruimd werd.’

NVWA niet los te zien van ministerie

Een ramp als vogelgriep of Q-koorts zal ons nu niet snel meer overkomen, verzekert toenmalig minister van Volksgezondheid Edith Schippers de Tweede Kamer in 2015.15 Sindsdien hebben we namelijk het ‘One Health’-principe omarmd. Dat is Engels voor een hechtere samenwerking tussen humane en veterinaire geneeskunde. Dieren- en mensenartsen komen sindsdien maandelijks samen om informatie met elkaar uit te wisselen. Onder bestuurders en artsen geldt dit als dé innovatie nieuwe aanpak voor zoönotische uitbraken. ‘Nederland loopt hiermee in internationaal verband voorop’, meldt Schippers.

‘One Health is vooral een buzz word’ zegt landbouweconoom Gert van Dijk.16 Hij was de voorzitter van de commissie die in opdracht van het kabinet het Q-koortsfiasco moest evalueren. In het uiteindelijke advies staat opmerkelijk weinig over een gebrek aan samenwerking17 tussen dieren- en mensenartsen. ‘One Health heeft wel wat opgeleverd op wetenschappelijk vlak, het heeft onze aanpak niet beter gemaakt.’

Het rapport bevatte wel een aantal andere duidelijke aanbevelingen. Zo moest de NVWA, om een ‘werkelijke autoriteit te worden’, op afstand van de ministeries worden geplaatst. Dat gebeurde echter niet. Sterker nog: in tegenstelling tot veel Europese landen18 valt de NVWA in Nederland onder direct toezicht van het ministerie van Landbouw. En het belangrijkste, volgens Van Dijk: ‘Het ministerie van VWS moet de eindverantwoordelijkheid hebben wanneer er een uitbraak van een zoönose is, zodat zij bijvoorbeeld kunnen besluiten om dieren te ruimen.’ Die macht kreeg het ministerie niet.19

‘Toen we ons rapport inleverden was iedereen heel enthousiast. Maar de aanbevelingen zijn nooit doorgevoerd.’ Waarom dat niet is gebeurd, weet hij ook niet. ‘Mijn indruk is dat ze hebben gedacht: “Moeten we dit nou allemaal zo formeel vastleggen? Hier komen we de volgende keer onderling wel uit.”’

Aantal geiten blijft stijgen

Andere maatregelen werden mondjesmaat of pas laat getroffen. Gelderland en Brabant kondigden een regionale ‘geitenstop’ af, nog zeven provincies volgden dat voorbeeld.20 Maar doordat oude vergunningen nog ruimte overlaten, stijgt het aantal geiten in Nederland nog steeds.21

De kans dat dit tot specifiek Q-koorts uitbraken leidt is nihil. Want melkgeiten worden tegenwoordig ingeënt tegen de ziekte. Een simpele, belangrijke en noodzakelijke stap. Maar de beesten blijken ook andere, nog onverklaarde gezondheidsrisico’s met zich mee te brengen. Omwonenden van intensieve geitenhouderijen in delen van Brabant en Noord Limburg hebben, zo blijkt, nog steeds vijftig procent meer kans op het oplopen van een longontsteking.22

‘Dit verband is in acht opeenvolgende jaren waargenomen, we weten alleen niet wát de ontstekingen veroorzaakt,’ zegt Kitty Maassen, die voor het RIVM onderzoek doet naar zoönosen in Nederland. ‘Wat vaststaat is dat er geen verband is met Q-koorts.’ Maar de uitkomst van een onderzoek naar de oorzaak wordt op z’n vroegst in 2022 verwacht.23

Economisch belang landbouw voorop

Historicus Floor Haalboom promoveerde op de Nederlandse bestrijding van zoönosen.24 Zij onderschrijft de kritiek van Van Dijk op ‘One Health-samenwerking’ als trots van Neerlands zoönosenaanpak. ‘Het klopt gewoon niet dat veterinaire en humane artsen in het verleden te weinig samenwerkten,’ zegt Haalboom.25 Al in 1900 maakten artsen en dierenartsen zich samen sterk voor een betere volksgezondheid. Een eeuw later was dergelijke samenwerking volgens Haalboom nog steeds vanzelfsprekend.

Volgens Haalboom is die roep om meer samenwerking na iedere uitbraak opnieuw te horen. ‘Het is een vorm van depolitisering, want als het aan “de communicatie” of “de samenwerking” ligt is er niemand echt verantwoordelijk. Het leidt uiteindelijk de aandacht af van het onderliggende probleem,’ stelt Haalboom, ‘dat de economische belangen van de landbouw telkens zwaarder wegen dan het belang van volksgezondheid.’

Haalboom onderzocht uitbraken van salmonella, rundertuberculose en de gekkekoeienziekte. Overal zag ze hetzelfde patroon. ‘De argumenten van de sterk georganiseerde boerenlobby vonden telkens veel meer weerklank in de politiek dan die van volksgezondheid.’ Bij de eerste salmonella-affaires in de jaren zestig van de vorige eeuw zag je dat het ministerie van Landbouw en boerenbelangen twijfel bleven zaaien over de ernst van de infecties. Net als bij Q-koorts. ‘Die onderliggende machtsverhoudingen moet je veranderen als je een veranderde aanpak wil.’

‘De bestrijding van de gekkekoeienziekte verliep precies om deze reden voorbeeldig,’ zegt Haalboom. ‘Toevallig lagen de belangen van veehouders, voederbedrijven en volksgezondheid toen wel op één lijn. De vee-industrie wilde de export beschermen tegen verdachte Britse producten en dat was ook goed voor de volksgezondheid.’

‘Je weet nooit waar of wanneer een uitbraak plaatsvindt’ zegt commissievoorzitter van Dijk. ‘Juist daarom moet vooraf goed duidelijk zijn wie de verantwoordelijkheid heeft voor de aanpak.’ Maar de verantwoordelijkheden liggen nog steeds verdeeld over de ministeries van Landbouw en Volksgezondheid. Bij een uitbraak wordt het weer ordinair touwtrekken tussen de belangen van boeren en die van bewoners met vage gezondheidsklachten.

‘We hebben geluk dat er sinds Q-koorts geen grote uitbraak meer geweest is,’ aldus van Dijk. ‘Maar daar kan je niet op wachten. Corona laat zien: als het eenmaal komt, is iedereen te laat. Je moet voorbereid zijn. Dat zijn we niet.’

Dit stuk verscheen ook in De Groene Amsterdammer. Lees hier ons nieuwsbericht.

  1. Telefoongesprek met Nancy Beerens van WBVR op 9 april 2020 ↩︎
  2. Zie dit RIVM-rapport ↩︎
  3. Blijkt uit een schatting door onderzoekers van het Jeroen Bosch-ziekenhuis ↩︎
  4. Zie deze pagina ↩︎
  5. Zie dit nieuwsbericht ↩︎
  6. Zie dit bericht in NRC ↩︎
  7. Interview via beeldbellen, 25 maart 2020. Alle quotes van Coutinho in dit verhaal stammen uit dit interview, tenzij anders vermeld. ↩︎
  8. Zie de richtlijnen hier ↩︎
  9. Interview via beeldbellen op 25 maart 2020. Alle quotes van Alfons Olde Loohuis stammen uit dit interview, tenzij anders vermeld. ↩︎
  10. Blijkt uit interviews met huisarts Alfons Olde Loohuis en eerdere berichtgeving over de Nederlandse geitenhouderij zoals deze ↩︎
  11. Blijkt uit een schatting door onderzoekers van het Jeroen Bosch ziekenhuis ↩︎
  12. Zie dit bericht ↩︎
  13. Van verwerping tot verheffing - Q-koortsbeleid in Nederland 2005-2010, Evaluatiecommissie Q-koorts. Pagina 82 & 96 ↩︎
  14. Zie dit bericht van Omroep Brabant ↩︎
  15. Zie hier ↩︎
  16. Telefonisch interview, 8 april 2020. Alle quotes van Gert van Dijk stammen uit dit interview, tenzij anders vermeld. ↩︎
  17. Van verwerping tot verheffing - Q-koortsbeleid in Nederland 2005-2010, Evaluatiecommissie Q-koorts ↩︎
  18. Belangen landbouw centraal in strijd tegen zoönosen, Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 1 januari 2018 ↩︎
  19. Zie dit bericht in Trouw ↩︎
  20. Zie dit bericht in De Volkskrant ↩︎
  21. Zie Zembla en Omroep Brabant ↩︎
  22. Nivel, 2018, Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, pag. 6 ↩︎
  23. Blijkt uit telefonisch interview met RIVM-onderzoeker Kitty Maassen ↩︎
  24. Negotiating zoonoses - Dealings with infectious diseases shared by humans and livestock in the Netherlands (1898-2001), Floor Haalboom, Universiteit Utrecht, 21 september 2017 ↩︎
  25. Interview via beeldbellen, 24 maart 2020. Alle quotes van Floor Haalboom stammen uit dit interview, tenzij anders vermeld ↩︎

Auteurs

210506-Investico – Portret Thomas_RT-01 klein

Thomas Muntz

Hoofdredacteur

Thomas Muntz is hoofdredacteur van Investico en doceert in de jaarlijkse masterclass onderzoeksjournalistiek. Voor Investico schreef hij de …
Profiel-pagina

Felix Voogt

Felix studeerde productie aan de Nederlandse Filmacademie en werkte op de afdeling Internationaal van het Nederlands Filmfonds. Voor …
Profiel-pagina
54-Investico-07-06-201700785

Emiel Woutersen

Emiel studeerde Theoretische Natuurkunde in Amsterdam en Cambridge. Hij is lid van de staf van Investico en deed onder andere onderzoek …
Profiel-pagina