Johan Erkelens verhuurt vijf panden aan Amsterdamse coffeeshopuitbaters en is ondernemer in de gokbranche. Of eigenlijk: hij was een ondernemer in de gokbranche, want zijn speelautomatenbedrijf deed hij een paar jaar geleden van de hand. ‘Vroeger speelden ze op gokkasten, nu op de telefoon’, zegt hij.

De nog altijd bestaande relatie tussen coffeeshops en gokbazen is een opmerkelijke uitkomst van het onderzoek, mede voor de Groene Amsterdammer, van Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico en Het Financieele Dagblad naar exploitanten, pandeigenaren en financiers van alle 570 coffeeshops van Nederland. Bij 41 coffeeshops blijkt daarin sprake van financiële banden met ondernemers in de speelautomatenbranche, terwijl het sinds 1 juni 2000 verboden is om gokkasten in coffeeshops te plaatsen. Alleen in specifieke gevallen is dat nog toegestaan, bijvoorbeeld door er een aparte ruimte voor in te richten. Heel Nederlands: voor bijna alles bestaat wel een gedoog- of uitzonderingsregel.

Speelautomatenondernemers die zich met coffeeshops inlaten, variëren van kleine bv’tjes met enkele gokkasten tot de grote ondernemers uit de branche. In die laatste categorie valt bijvoorbeeld de Deventer notabele Karel Lassche, ontvanger van de Zilveren stadspenning voor zijn verdiensten voor zijn thuisstad. Hij verdiende zijn geld met de exploitatie van gokkasten, maar zijn concern bezit ook een groot aantal horecagelegenheden.

Daarnaast is hij dus pandeigenaar van vijf coffeeshops in het oosten van het land: Jet Set en ’t Kunsje in Nijmegen, Cybershop Bulls en International in Deventer, en Koffiehuis Sharon in Enschede. ‘Het bedrijf kocht vroeger panden om daar speelautomaten te exploiteren. Op diezelfde manier heeft het nog een aantal panden waarin snackbars zijn gevestigd’, laat zijn woordvoerder weten. ‘Het zijn goede huurders en het rendement is goed. Wij hebben hier geen moreel oordeel over.’

Thuisteelt cannabis

Onderdeel van dossier

De financiering van coffeeshops

In de sector zijn boven- en onderwereld nauw met elkaar verstrengeld.

Vorige maand schreven wij over de grote financiële belangen die de ‘bovenwereld’ door de jaren opgebouwde in de coffeeshopsector. De gokondernemers steken daar mager bij af. Twaalf banken hebben samen 199 coffeeshops in onderpand voor een hypotheeklening. De vier grootste banken van Nederland hebben samen voor 1,1 miljard euro uitstaan aan de eigenaars van deze panden. Daarnaast beschreven we hoe onder meer een advocaat, een registeraccountant en een hoge ambtenaar leningen hadden uitgegeven met coffeeshoppanden als onderpand. Zij werden daar liever niet mee geassocieerd. De ABN Amro sprak van een ‘verhoogde risicobranche’, ‘omdat ze vaak opereren op de scheidslijn legaal/illegaal’.

In de reacties op ons onderzoek maakte de term ‘bovenwereld’ heel wat los. ‘Dan zijn wij van de coffeeshops zeker de onderwereld?,’ zei coffeeshophouder Bart Vollenberg in het FD. Kritiek op coffeeshops krijgt al snel het label ‘anti-coffeeshop’, ‘rechts’ of ‘conservatief’ opgeplakt. Zo schreef advocaat Maurice Veldman, die veel ondernemers met coffee- en growshops vertegenwoordigt, op een blowers-blog dat onze artikelen waren ‘ontsproten aan het obscurantistische universum van de calvinistische Bible belt’.

Volgens de advocaat worden coffeeshophouders gecriminaliseerd door de criminele antecedenten van hun pandbazen aan hen toe te schrijven. Dat zou inderdaad te simpel zijn. Het hoofdredactioneel commentaar dat na de publicatie in het FD verscheen, omschreef het coffeeshopvastgoed preciezer als een ‘leemte in het overheidstoezicht’. ‘Tientallen ­kwestieuze ondernemers duiken vooral via het ­vastgoed op in de cannabisdetailhandel.’ De overheid kijkt vaak op de verkeerde plek. Het vastgoed is één van de achterdeuren van de wietbranche. Ook coffeeshopondernemers vinden dat soms een interessante conclusie. Een van hen zei in het FD dat het misschien ‘meer over de vastgoedsector zegt dan over coffeeshops’

Overgangswet

Wiet gebruiken en verkopen is toch gewoon legaal? Dat is niet het hele verhaal: met de juiste vergunningen van de gemeente mag een coffeeshop wiet verkopen, maar voor de bevoorrading is de winkel afhankelijk van mensen die de wet overtreden. In het beste geval zijn dat hobbyisten die meer dan de wettelijk toegestane vijf cannabisplanten hebben. In het slechtste geval is dat de georganiseerde misdaad die zijn stempel drukt op de productie en distributie van softdrugs. Coffeeshophouder Vollenberg omschrijft dat procedé als ‘zwartwassen’: geld komt wit binnen als klanten hun aankopen afrekenen en gaat er ‘zwart’ weer uit als de leverancier betaald wordt. De jaarrekening van een keten van twee coffeeshops in Amersfoort en Amsterdam illustreert de schaal van dit zwartwassen: van de 2,4 miljoen aan inkomsten verdwijnt ruim een miljoen, dus bijna de helft, in de illegaliteit.

Cannabiskwekers en -distributeurs geven natuurlijk geen bonnetje van de ingekochte waren, maar coffeeshops zijn niet zelf ook altijd even transparant over hun bedrijfsvoering. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel zagen wij bijvoorbeeld dat veel coffeeshops geen of te laat jaarverslagen deponeren, terwijl ze dat wel moeten.

Voor gemeenten is onduidelijkheid over de bedrijfsvoering soms zelfs reden om de zaak te sluiten. Zo moest coffeeshop De Kikker in Deventer begin deze maand dicht. De uitbater stond begin dit jaar al voor de rechter omdat de belastingdienst veel vragen had over de boekhouding. Voorraden waren niet terug te vinden in de administratie en er was sprake van ‘onverklaarbaar lage brutowinstpercentages’, staat in het rechtbankverslag te lezen. In Arnhem heropende half juli coffeeshop De Pinguïn, nadat deze een jaar dicht was geweest omdat de gemeente twijfelde of de eigenaar wel echt de eigenaar van de zaak is. Het is de vraag of de zaak lang open blijft, aangezien er nog een rechtszaak loopt. Coffeeshopeigenaren zelf zeggen ook meer transparantie te willen. De recent opgerichte koepelorganisatie Cannabis Connect noemt een transparantere sector als één van haar doelstellingen.

Coffeeshop 't Kunsje
Coffeeshop ’t Kunsje 1994

Maar uiteindelijk is alles te herleiden tot de politieke patstelling die al decennia standhoudt: voor een volledig verbod van coffeeshops was nooit voldoende draagvlak en voor volledige legalisering evenmin. In een interview met NRC Handelsblad omschreef oud-premier Dries van Agt dit gedoogbeleid, dat hij in 1976 zelf invoerde, als een compromis; het was een ‘overgangswet’. Voor het eerst werd daarin een onderscheid gemaakt tussen soft- en harddrugs, waarbij het bezit van softdrugs niet langer strafbaar was. Het liefst had hij cannabis helemaal gelegaliseerd, zei Van Agt, maar dat ging zijn eigen Katholieke Volkspartij te snel.

In die tijd golden aannames waarin de huidige pijnpunten van het gedoogbeleid al verscholen lagen. Zo was de gedachte dat wie rijk wilde worden van drugshandel, zijn heil wel zou zoeken in de harddrugs. Coffeeshops zouden niet bevoorraad worden door georganiseerde misdaadorganisaties maar door de gebruikers zelf; idealisten met wat plantjes op zolder. Drugstoeristen zouden er ook niet op afkomen, want het grenzeloze Europa bestond nog niet.

In plaats van een knoop door te hakken, hielden ook de Paarse kabinetten van de jaren negentig dit compromis in stand door Van Agts ‘overgangswet’ te formaliseren. Er kwamen gedoogcriteria waaraan elke coffeeshop moest voldoen. Ze mochten bijvoorbeeld geen reclame maken, klanten niet meer dan vijf gram cannabis verkopen en zelf maximaal een halve kilo op voorraad hebben. Om overlast van drugstoeristen tegen te gaan mogen sinds 2013 alleen mensen die in Nederland wonen nog bij een coffeeshop naar binnen, al controleert niet elke gemeente of die regel wordt nageleefd.

Impasse

De aanwezigheid van de ‘bovenwereld’ is dus één kant van het verhaal; de schijnbaar onvermijdelijke inmenging van schimmige types de andere. Wij telden 256 coffeeshops waar in het verleden sprake is geweest van criminogene antecedenten bij de exploitant, pandeigenaar of financier. Die telling deden we op basis van openbare bronnen – inzicht in strafdossiers hebben we natuurlijk niet. In die telling zitten coffeeshops die door de burgemeester zijn gesloten omdat er een te grote handelsvoorraad aanwezig was, maar ook zwaardere vergrijpen. Zo viel de FIOD in 2013 binnen bij een aantal coffeeshops in Zutphen, Doetinchem en Apeldoorn omdat ze de eigenaars verdacht van belastingfraude. In de telling zitten ook meldingen van wapenbezit, harddrugs of bijvoorbeeld pandeigenaren die in het verleden gelieerd waren aan de vermoorde vastgoedmagnaat Willem Endstra.

Wat ‘criminogeen’ is of niet, is soms al even onduidelijk als het gedoogbeleid zelf. Zo zijn rechters de afgelopen jaren anders gaan kijken naar coffeeshophouders die betrapt zijn op een te grote handelsvoorraad. Coffeeshop Checkpoint in Terneuzen – de grootste van het land, waar zo’n twaalf kilo cannabis per dag over de toonbank ging – was bijvoorbeeld volgens de rechter weliswaar in overtreding, maar toch kreeg de uitbater geen straf. Volgens advocaat Sidney Smeets, die meerdere coffeeshopzaken deed, is dat te wijten aan de onwerkbare situatie die de overheid heeft gecreëerd. Smeets: ‘Het gedoogbeleid impliceert nu eenmaal dat de wiet ergens vandaan moet komen en dus ook ergens moet worden opgeslagen. Net als een supermarkt een voorraad melk moet hebben, moet een coffeeshop een voorraad wiet hebben. Om die reden vinden rechters dat exploitanten door zo’n voorraad aan te houden wellicht naar de letter van de wet strafbaar zijn maar daarvoor geen straf verdienen.’ Stilstand is volgens hem het gevolg. ‘Zaken blijven vaak jaren liggen en zeker de financiële afwikkeling is in een impasse geraakt.’

‘Een ander circuit’

Zo is ook de relatie tussen softdrugsverkoop en gokondernemers ontstaan in het grijze gebied waarin de overheid gaandeweg de regels veranderde. De banden zijn een volkomen logisch gevolg van de periode dat er nog gokkasten in coffeeshops mochten staan, zegt de zaakwaarnemer van de voormalige Haagse gokbaas Joop van Ham. Hij is pandeigenaar van de coffeeshops Demo, De Hut en De Mazzelaar in Den Haag; twee daarvan bezit hij met zakenpartner William van der Vliet. ‘Voor de eeuwwisseling was geen verschil tussen een coffeeshop of een snackbar of een café’, stelt ook voormalig gokbaas Johan Erkelens in Amsterdam. Ondernemers in de sector staken hun geld dus graag in coffeeshops. ‘Je kocht een pand omdat je automaten er stonden. Veel coffeeshops waren van oudsher cafés, en als een huurder in de jaren tachtig en negentig zijn café omgooide tot coffeeshop, had je daar geen problemen mee.’

Na het verbod op gokkasten hielden sommige gokkastenondernemers hun panden volgens hem aan. ‘Die doe je niet weg als ze maandelijks 200 of 300 euro meer doen dan andere huurders.’ Zelf is hij huisbaas van de Amsterdamse coffeeshops Los Angeles, Nagtegaal, New Times, The Point en Super Skunk. De Belastingdienst heeft beslag op deze wietwinkels laten leggen, hetgeen volgens Erkelens het gevolg is van een btw-geschil met een van zijn bedrijven.

Het Amsterdamse Horeca Interventie Team schatte halverwege jaren negentig dat tachtig procent van de hoofdstedelijke speelautomatenexploitanten ‘min of meer economisch eigenaar of mede-eigenaar’ was van een coffeeshop. De parlementaire enquêtecommissie Van Traa constateerde later dat in coffeeshops op de Amsterdamse Wallen ‘haast altijd speelautomaten staan’ en repte van ‘wurgcontracten’ die soms als doel hadden de zaak over te nemen. Mensen uit de gokindustrie leken voor coffeeshops, en de horeca in het algemeen, ‘de rol van brouwerijen en banken steeds meer te hebben overgenomen’, concludeerde de commissie.

Coffeeshops die geen financiering krijgen, moeten dat immers elders zoeken. Johan Erkelens: ‘Dan komen ze uit bij een ander circuit, bij financiers die veel duurder zijn. Hetzelfde geldt voor veel horeca, seksbedrijven, speelautomaten: die hebben allemaal een negatief imago.’

Dat ‘andere circuit’ zijn soms andere coffeeshops of particulieren die hun vermogen liever niet op een spaarrekening laten verpieteren en in coffeeshops een goede investering zien. In het geval van de Amersfoortse coffeeshop ’t Klavertje was het ‘Wallenkoning’ Charles Geerts die voor financiering zorgde. Het pand is eigendom van vastgoedondernemer Hans Kortlevers, die voor de aankoop in 2008 een lening van 1,9 miljoen euro afsloot bij de Amsterdamse makelaar Peter van der Vloodt. Uit de hypotheekakten blijkt echter dat Van der Vloodt daarvoor op zijn beurt een lening afsloot bij J.F.O. Holding, het bedrijf Geerts. Nadat Van der Vloodt in 2009 was overleden, nam Geerts de hele lening over. De maandhuur van 7.500 euro huur gaat direct naar Geerts om zo de lening af te betalen. Kortlevers bleek zelf betrokken te zijn bij een omkopingsschandaal, wat resulteerde in een beslaglegging op het coffeeshoppand.

De gemeente Amsterdam zag in ‘dikke’ Charles Geerts de machtigste man op de Wallen. Hij bezat achttien prostitutiepanden met in totaal zo’n vijftig ‘ramen’ en was de gemeente een doorn in het oog. Die wilde namelijk de criminaliteit in de rosse buurt terugdringen en deze ‘upgraden’. In 2007 had de gemeente samen met woningcorporatie N.V. Stadsgoed 25 miljoen euro over om hem uit te kopen. Geerts benadrukte steeds dat hij nooit werd veroordeeld en zei in Trouw niets met al dan niet malafide huurders van zijn panden te maken hebben gehad, hij ‘was alleen pandeigenaar’.

De miljoenen die Geerts kreeg overgemaakt, investeerde hij vervolgens in de Amersfoortse coffeeshop die op zijn beurt banden onderhield met enkele Amsterdamse coffeeshops. De advocaat van Charles Geerts, mr. Han Jahae, laat weten dat de lening van Geerts aan Hans Kortlevers naar het oordeel van zijn cliënt ‘geenszins in strijd is met de afspraken die indertijd gemaakt zijn met de gemeente Amsterdam’. Wat die afspraken precies zijn kon hij, noch de gemeente Amsterdam, ons vertellen. De gemeente Amersfoort liet ons weten hiervan niet op de hoogte te zijn.

In een reactie op onze publicaties lieten de meeste partijen in de Tweede Kamer vorige maand weten dat zij liever zien dat banken coffeeshops financieren dan dat onduidelijke financiers dat doen. Maar dankzij het vlees noch vis-beleid, dat de coffeeshopsector laat balanceren tussen legiteit en illegaliteit, willen diezelfde banken liever niet geassocieerd worden met ‘hun’ coffeeshops; ook al zitten ze er vol in. Niet vreemd dus dat een deel van de coffeeshops moet uitwijken naar een ‘ander circuit’: een speelkastenondernemer, een commissaris van de lokale Rabobank die privé een investerinkje waagt, of een Wallenkoning.

Het is afwachten of dat snel gaat veranderen. De VVD zei in die reactie voor ‘slimme regulering’ van de cannabishandel te zijn, maar wilde niet toelichten wat dat precies inhoudt. Het softdrugsbeleid zou onderdeel zijn van de kabinetsonderhandelingen, waarin alleen D66 bekend staat al pleitbezorger van legalisering van de softdrugssector. Eerder stemde de VVD tegen het wetsvoorstel dat nu in de Eerste Kamer ligt om de cannabisteelt te reguleren. Het is zowel ja als nee, en de echte beslissing uitstellen tot later. Het is het gedoogbeleid in een notendop.

 

Met medewerking van Vasco van der Boon van Het Financieele Dagblad.

Auteurs

default-person

Guido van Eijck

Onderzoeksjournalist

Guido studeerde Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, waar hij ook docent was, en de University of California Los Angeles. Na zijn …
Profiel-pagina